Dit najaar streeft Almere ernaar om de halve eeuw te halen. In de Kunstlinie stond er tot de zomervakantie een tentoonstelling, ten faveure van het jubileum. Hoewel Almere geen voornaam beeldendekunst-museum heeft, was de tentoonstelling – en de ruimte an sich – toch best wel groot. Voor de auteur is dat reden genoeg, om er een veelluik van te maken.
De tentoonstelling heette ‘Van Almere naar Ally’. Opnieuw het Engelse woord voor bondgenoot. Maar misschien viel er wel wat voor te zeggen: bijna een kwart miljoen burgers vormen een gezamenlijke alliantie (van ‘allies’) op een stukje poldergrond. Met de auteur als een van hen. En met hen, veel (andere) kunstenaars. Al vraag je je af, of de mensen achter een bepaalde ontdekking op deze bodem woonden.
v.l.n.r.: de in de tekst besproken gedicht, alsmede de inleidende tekst (eigen beelden)
Een ding was zeker, ze leken het wel ontdekt te hebben. Vooral de vermeende geschiedenis, voor zover er sprake van was. Tenminste, dat was de premisse. De inrichting oogde best wel mystiek. Let alleen al op de blackletters van de museale tekst. Maar niet alleen dat, je merkte het ook terug in de tekst zelf: ‘Ales wordt geboren. Een ster, een idee, een verlangen en een vis … ’ tot ‘ … door de poort die alles verjaagt wat het leven schaden wil.’ Alsof met een epos of een volkslied aan het zingen is. Ware het niet, dat deze tekst geen écht middeleeuwse tekst is. Daarvoor mist er een extra ‘a’ in ‘schaden’. Zelfs een flink deel van de inleiding was in de blackletters geschreven – dat zei voldoende over hoe serieus ze het ‘reconstrueren van de alternatieve geschiedenis’ namen.
v.l.n.r.: de zeemeermin van Carmen Schabracq en de kokerjuffer (eigen beelden)
Carmen Schabracq
Maar uiteraard ging het ook om de beeldende kunst. Opvallend was hierin het werk van Carmen Schabracq. Schabracq had een zeemeermin gemaakt, die hing boven de vloer, te midden van een paar emmers. Waar de vrouw in Venray werkte met de harde werkelijkheid – een vrouw die worstelde met moederschap – was ze op kleigrond mede bezig met de verbeelding. Dat figuur paste ook heel erg goed bij de locatie waarop de Kunstlinie is gebouwd: oppervlaktewater. Het Weerwater welteverstaan.
Wie de Omroep Flevoland-radiofragment van 16 april jl. had beluisterd, zou kunnen begrijpen wat die figuren met lange stokken en eraan gebonden lange doeken moesten voorstellen. Het zouden heel erg goed kokerjufferlarven kunnen wezen. Met die stokken als de voelsprieten en de romp van de juffers, en het textiel als hun vleugels. Voor de toeschouwer zou dat heel erg zoeken zijn – al leek een abstract werk heel stug – maar nu klinkt het wel geloofwaardig.
v.l.n.r.: Island Again in de Kunstlinie (2026, eigen beelden) en The Water, The Soil (Openbare performancekunst welke deel uitmaakt van PERFORMATIK) (2017, Brussel, Müge Yilmaz)
Monstertjes
Toch bleef het niet bij deze werken. Er waren ook monsters actief, horend bij Almere. Alhowel … waren ze specifiek Almeers. Volgens Muge Yilmaz, de geestelijk moeder achter deze wezentjes, niet per se. Ze doken naar haar zeggen ook op in Brussel en Shanghai – dus bijna 10 jaar geleden, in respectievelijk 2017 en 2016. Je vraagt je af, in hoeverre ze dus deel uitmaakten van de ontstaansgeschiedenis van Almere, die de kunstenaars hebben geschapen. Dat geformuleerd hebbende: het paste in een tendens van kunst dat niet site-specific is. Denk maar aan Florentijn Hofman, die overal en nergens heen gaat met zijn badeend (maar niet in Almere, daar liet hij twee mannetjes na).
Conclusie
Je kunt er best wel uit concluderen, dat dit gedeelte – Uit het Niets – van de 50 jaar Almere-tentoonstelling redelijk geslaagd was. De locatie van het pand en de thematiek leken min of meer samen te gaan. Bovendien had het wel iets fantasy-achtigs, wat de stad op zich wel zou kunnen gebruiken. Helemaal omdat de stad geen echte mythen en sagen had. Wat in de tentoonstelling ook werkte, waren de vele juxtaposities. Want verderop in de Kunstlinie – en daarop kom ik later terug – heb je vooral tentoonstellingen met kunst over het echte Almere. Van historische beelden tot werk van makers die gemaakt werd.
Toch waren er ook vragen. Je kon je natuurlijk afvragen, in hoeverre de fictie echt werd doorgevoerd. Dat kwam weliswaar naar voren in de gedichten, maar het bleef wel erg oppervlakkig qua wereldopbouw. Zo werden er verhalen verteld over de oude inwoners (juffers en zeemonsters), alsmede waar ze zoal woonden. Maar niet een van de aansprekende figuren uit die volkjes en vooral … een verhaal van begin tot einde. Ook was het heel erg zoeken naar de juffers – dat bleken die stokken met doeken te zijn. Voor zo een tentoonstelling zou dat iets minder moeite moeten kosten.