In het najaar van 2025 heeft Kunst is Leuk wederom een protest-expo gehouden. Dit is de tweede waarover de auteur van deze recensie schrijft. In oktober 2024 was er immers ook een tentoonstelling gehouden.

v.l.n.r.: ACAB (All Cops Are Bastards), 161 (Anti-Fascist Action, 1 = A – 6 = F – 1 = A) en de flyers en posters i.h.k.v. protest

Het eerste wat opviel waren de posters in de ruimte. Posters van ‘Wij eisen de nacht op’, de Dolle Mina’s (de re-booth), maar ook van generieke(re) statements. Denk aan de grote graaiers en het demonstratierecht an sich. De posters die present waren waren in de tentoonstelling, verraadden het lichtelijk de tijdgeest waarin dit werk werd gemaakt.

De veelzeggendheid werd verduidelijk gemaakt met opgeblazen ballonnen, met daarin afkortingen als ACAB (All Cops Are Bastards) en 161. Dat laatste meent te betekenen AFA (naar de rang van de letters in het alfabet): Anti-Fascist Action. Het is wel heel erg typisch in welke hoek je het moet zoeken.

Variatie in protest

Naast posters van actiegroepen, waren er ook reguliere kunstuitingen in het pand aanwezig. Opvallend is eentje van Bridget Vogelvang. De kunstalumna heb ik in november jl. gesproken over de sluiting van de Cultuurdome. Volgens Vogelvang zou de tempel komende lente sluiten, om vervolgens tegen de vlakte te gaan. Toen ik haar bevroeg over hoe het komt dat in Almere werkplaatsen steevast het moesten ontgelden, stelde zij dat afwezigheid van atelierbeleid in Almere hieraan ten grondslag lag. Haar beklag werd ook zichtbaar in de serie grafmonumenten die zij maakte ter nagedachtenis aan kunstvoorzieningen (en andere markante gebouwen) in de stad. 

Deze kunst, over steden zonder duidelijk historisch karakter, zag ik eerder terug bij Hans de Tweede en – in een verder verleden – Ferdinand Bordewijk (1884-1965) en Jules Deelder (1944-2019). Ware het niet dat Almere een soort klein Rotterdam is.

Nederland

Het kon over Almere gaan, maar het kon ook over Nederland gaan. Dit deden Luna van Gemerden en Jeffrey Netten. Op hun bordje stonde geen kunsthistorische tekst, maar een acrostichon (naamdicht). De volledige versie van het Wilhelmus welteverstaan. Het werk heette ‘Hup Holland Hup’, terwijl Almere niet in ‘Holland’ ligt (als in Noord- of Zuid-Holland – nee, het ligt in Flevoland). Of was het meer ‘Holland’ in de kneuterige zin? Het clichématige beeld wat men van Nederland heeft? Dat leek hun mixed-mediawerk wel te suggereren. Er hingeen opvallende doek, met daarop de Nederlandse vlag.

Je zag er allerlei dingen die de Nederlandse cultuur moeten symboliseren: de frituur, de constante files en het logo van de Rijksoverheid – om maar als voorbeelden te noemen. Aan de muren vond  je een soort krijtwerk met in het wit opvallende zaken. Zoals een Israëlische vlag, een trivia (10 procent van rijk Nederland die de helft v/h vermogen bezit) en referenties naar seksueel misbruik (Demmink, pizzagate en 1-host). Mogelijkerwijs gaat het hier om de januskop van Nederland. De twee gezichten die het had. Wat heel sterk kon zijn, je maakte er een spelletje van. Maar het zorgde er ook voor dat het niet al te abstract is. (Wat ook logisch is, voor protestkunst.)

Gaza en het huiselijke

Niet geheel verrassend, domineerde ook de opstand tegen het genocidale geweld in Gaza in de kunst. Met tekst als leitmotiv. Soms maakte tekst de kunst meelevend (zoals de namen van de doden in het werk van Joke Obbens). Soms was het corrigerend – er was immers een werk, wat heel erg in de stijl van Zoë Papaikonomou was, namelijk het doorstrepen van ‘fouten’ en het aanvoeren van ‘verbeteren’. En soms lagen de stellingnames er dik bovenop. Misschien iets te dik …

Te midden van alle macro-zaken zou je bijna vergeten – of juist niet dat er ook klein protest was. En dat niet alleen gewone mensen, maar ook mythische figuren mogen muiten. Vraag maar aan Melroy Bisel.

Conclusie

Wat zo sterk werkte aan deze tentoonstelling, is dat er een duidelijk leitmotiv is. Je begon lokaal of zelfs hyperlokaal, en je werkt door tot het mondiale. Bij sommige werken – zoals die van Vogelvang, Netten en Van Gemerden en de pro-Palestijnse kunstenaars werd kleurenpsychologie onbewust gebruikt. Zwart, grijs en rood stonden elk op hun eigen manier voor ernst. Wat ook opvallend was, was dat er géén figuratieve kunst present is in de tentoonstelling. Al zou dat misschien het narratief en de thematiek – protestkunst – kunnen ondermijnen. Vlak hierbij ook de rol van Kunst is Leuk niet uit. De underground-achtige sfeer, met al die feestelijkheden en afspeellijsten, versterkte de rebelse sfeer.

Al zou je je wel kunnen afvragen, of sommige thematieken origineel waren. Zeker omdat het publiek van Kunst is Leuk al ontvankelijk was (en nog steeds is) voor de visies. Er komt wel breder publiek, maar het is niet duidelijk hoe groot het niet-doelpubliek is. Een ander risico is de perceptie van het publiek. Sommige thema’s – met name Gaza – konden (en kunnen) bepaalde reacties oproepen. Maar ja, dat is kunst, hè?