Dit najaar streeft Almere ernaar om de halve eeuw te halen. In de Kunstlinie stond er tot de zomervakantie een tentoonstelling, ten faveure van het jubileum. Hoewel Almere geen voornaam beeldendekunst-museum heeft, was de tentoonstelling – en de ruimte an sich – toch best wel groot. Voor de auteur is dat reden genoeg, om er een veelluik van te maken. Dit keer het tweede deel, en eigenlijk het leeuwendeel.
De expo begon met allerlei historische beelden van de stad. Niet slijmend bedoeld, de oudste beelden stamden immers uit de jaren tachtig. Het was geen middeleeuwse periode die je zag. Het korte tijdsbestek, 49 à 50 jaar, besloot ook met een paar kiekjes van nu. Nou ja, ongeveer 15-20 jaar geleden, wat best wel oud is voor Almeerse standaarden.
v.l.n.r.: het onaffe Stadhuis van Almere, de Doetinchempad in de Stedenwijk (met op de achtergrond het Arnhemplein) en de onaffe Esplanade (met op de achtergrond de Side by Side-torenflats en het gebouw van destijds het Apollo Hotel (nu Leonardo Hotel)
Stadsarchief van Almere
De reportage had wat weg van fotojournalistiek. Te alledaags voor een straatfotograaf, al zag de auteur Ruben Terlou – mocht hij Nederland boven Oost-Azië verkiezen – wel dergelijke foto’s maken. Ware het niet, dat de beelden meestal in 4:3-verhouding waren (passend bij de tijd, de eerste 16:9-beelden kwamen eind jaren 90 openbaar, de laatste 4:3-beelden eind 2007 met de NOS als hekkensluiter).
Je zag ook tegelijk met deze ontwikkelingen de opkomst de uitbreiding van het centrum, met de toen gloednieuwe Kunstlinie erbij. In die zijn waren de hedendaagse beelden ook de meest dominerende.
v.l.n.r.: beeltenis van Jörgen Raymann door Patrick Mezas en ‘Kunst waar je muziek in ziet’ door Betsy Schrage (eigen beelden)
Van 2D naar 3D
Kenmerkend voor deze tentoonstelling waren de meerdere gezichten die het had. Van een driedimensionale wereld op het platte vlak ging je naar een echt driedimensionale wereld, maar dan minder waarheidsgetrouw. Op Patrick Mezas’ beelden was dit het minst van toepassing. Zeker niet omdat Mezas ook nog met beelden aan kwam kakken van mede-inwoners van deze stad (of van prominenten an sich). Jurgen Raymann, een voormalig cabaretier en nu organisatiecoach. Of een personificatie van een slaaf, ergens rondom het stationsgebied.
Bij Mezas ging het om concrete personen. Dat was anders bij Betsy Schrage. Het was de derde keer dat de breakdancer weer te zien was in een tentoonstelling, in koud anderhalf jaar tijd. De danser was kind aan huis in talloze Almeerse instellingen. Of het nou de Cultuurdome was, of De Nieuwe Bibliotheek. Haar beeltenis was in feite een juxtapositie. Het zat tussen de klassieke kunsten en de straat in.
v.l.n.r.: beeltenissen prominente Almeerders (e.g. Timo Lavell en Mik Augustijn), foto’s van rappers (zoals Sevn Alias) en hiphopalbums (eigen beelden)
Hiphophoekje
Want inderdaad was er wel degelijk sprake van een hiphophoekje, om het maar liefkozend te noemen. Of, beter geformuleerd, een deeltentoonstelling. Het heette ‘De Straat’. Zelf omschreef het hoekje de straat als een plek wat niemands eigendom was en waaruit leven ontstond (althans, geparafraseerd). Hiphop en graffiti waren hierin mede leidend, zo was de premisse.
Die premisse leek enigszins bewaarheid te zijn, gezien de structuur. Het waren letterlijk bakstenen, met daaraan lijstjes met foto’s erin. In de vormgeving zag je, in weerwil van de cultuur, herhaling, ritme en structuur. Met vorm en tegenvorm als speelse tegenhangers, dat wel. De deeltentoonstelling wisselde beelden van bekende Almeerders met minder bekende af. Toch waren echt bekende artiesten, zoals Sevn Alias en ene Raymzter (echte naam: Raymond Rensen) amper te zien. Al fungeerde Raymzter wel als een zogenaamde easter egg.
v.l.n.r.: zine over graffiti in Almere (eigen beelden)
Conclusie
Deze auteur was bijna vergeten, dat het mede een tentoonstelling van Richard Terborg was. De maker is een fotograaf, die de mens centraal stelt en een diepe connectie maakt. De man an sich is, volgens zijn eigen website, buitengewoon in kunst geïnteresseerd. Dat leek wel terug te komen in dit werk, overduidelijk. Al was het alleen maar in wat hij selecteerde – van experimenteel werk tot quasi-journalistieke foto’s.
Op zich was de tentoonstelling wel sterk. Het was er eentje van juxtaposities en contrasten. Almere als dorp uit de polderklei en als volwassen stad met ruim 100.000 inwoners (nu 230.000 inwoners). Dat paste ook wel bij de aard van de stad; te midden van alle stadse fratsen heb je ook gewoon agrarisch landschap (zie Pampus, bvb) en N2000-gebieden. De kunstruimte van de Kunstlinie had wonderwel meer ruimte voor kunst. Toch bleef het aantal centiares klein, en kan veel kunst op weinig ruimte je overweldigen.
Wel een kleinigheid: hiphop is niet alleen oldskool. Het is ook trap en ook drill. Bovendien is het ook niet alleen maar braaf. In de tentoonstelling miste deze auteur de vertaalslag.